Historiek

 

Maatschappelijke en politieke achtergrond

Culturele centra zijn een geesteskind van het begin van de ‘Westerse’ jaren ’60. In tegenstelling tot de periode vanaf 1968, die een scherpe kritiek leverde op die Westerse maatschappij, heerste er in het begin van de jaren ’60 nog het geloof in een maakbare, welvarende, democratische en menselijke samenleving. De negatieve gevolgen van de Tweede Wereldoorlog waren verwerkt en men was beland in een economische expansieperiode, de zogenaamde ‘Golden Sixties’.

Drie grote maatschappelijke tendensen kunnen dit illustreren.

De eerste tendens was de toenemende overheidsinterventie, ook op het cultureel vlak. De overheid kreeg een primordiale rol in het verzekeren van welvaart en welzijn en moest regulerend en corrigerend optreden. Actieve bevordering van de cultuur werd een belangrijke overheidstaak. De oprichting van een autonoom Ministerie van Cultuur (Vlaanderen kreeg binnen de staatsstructuur van België steeds meer eigen bevoegdheden) creëerde extra mogelijkheden in dit verband. Het nieuwe Ministerie had weinig ‘ballast’ uit een zwaar verleden en moest zijn bestaansrecht bewijzen: de uitbouw van een netwerk van door de overheid ondersteunde culturele centra was één van de elementen van een expansieve politiek van marktbezetting.

De tweede tendens was de roep naar democratisering. Dit was het vijfde democratiseringsstadium. De politieke, de sociale, de economische democratisering en de democratisering van het onderwijs gingen hieraan vooraf. De democratisering van het onderwijs stond trouwens model voor de democratisering van de cultuur via de culturele centra : infrastructuur (scholen/culturele centra), mensen (onderwijzend personeel/cultuurfunctionarissen) en financiële middelen (werkingsmiddelen). De democratisering van de cultuur dekte twee inhouden : cultuurspreiding (cultuur toegankelijk maken voor ruime lagen van de bevolking : verhogen van de participatie) en cultuurexpressie (zelf cultureel actief zijn).

De derde tendens was de crisis van de zuilen. De oude zuilenstrijd (ideologische zuilen : katholieke, socialistische, liberale, vrijzinnige,…) leek voorbijgestreefd en pluralisme werd het nieuwe kapstokwoord. De culturele centra werden geconcipieerd als ideologisch ongebonden ontmoetingscentra waar mensen en verenigingen van alle ‘gezindheden’ (alle zuilen) zich thuis voelen én elkaar ontmoeten. De culturele centra waren niet zozeer tegen de verzuiling als wel het dak boven het hoofd van de zuilen…vandaar het sterke benadrukken van de receptieve functie in de werking van de culturele centra.

Deze trends zijn niet alleen de externe achtergrondoorzaken die tot het ontstaan van de culturele centra geleid hebben maar ze vormen eveneens de drie basisdimensies van de culturele centra: de bevordering vanuit de overheid van de democratisering van cultuur in niet-verzuilde ontmoetingscentra.

De drie basiskenmerken van een cultureel centrum zijn dus :

  • een overheidsinitiatief
  • gericht op democratisering van de cultuur
  • in niet-verzuilde, pluralistische ontmoetingscentra

De wettelijke initiatieven

Elk verhaal over het ontstaan en de ontwikkeling van de sector van de culturele centra in Vlaanderen begint in 1962 met de oprichting van een autonoom werkend ministerie van de Nederlandse Cultuur, op dat moment nog binnen de nationale regering. De toenmalige minister, Renaat Van Elslande, gaf aan de ‘Studiegroep voor Cultuurbevordering’ van de Katholieke Universiteit Leuven de opdracht tot een wetenschappelijke studie over de culturele infrastructuur, de cultuurfunctionaris en de financiering van de nieuwe cultuurpolitiek.

Reeds midden in de jaren zestig werd de bouw van een cultureel centrum gestimuleerd door de wetgeving inzake de subsidiëring van de betoelaagbare uitgaven (KB van 13 mei 1965, aangevuld en vervangen door het KB van 22 februari 1974). Deze wetgeving voorzag in een toelage van 60% op de ruwbouw van een cultureel centrum. Dit KB heeft in vele gemeenten het licht op groen gezet voor de bouw van een nieuw cultureel centrum.

Het decreet van 16 juli 1973 betreffende de toekenning van weddetoelagen aan cultuurfunctionarissen werkzaam in erkende culturele centra die het culturele leven in de Nederlandstalige gemeenschap bevorderen.

Dit decreet regelde in eerste instantie de toekenning van weddetoelagen aan cultuurfunctionarissen werkzaam in erkende culturele centra. De culturele centra werden erkend op basis van een aantal algemene erkenningvoorwaarden en ingedeeld in vier categorieën (A,B,C en D).

Algemene erkenningvoorwaarden

1.  Het cultureel centrum moet beantwoorden aan de doelstellingen die in het decreet worden omschreven (artikel 2).

Onder cultureel centrum wordt verstaan een pluralistische instelling, werkzaam in een gebouw, waarvan de activiteiten tot doel hebben:
     -           de terbeschikkingstelling van ruimten voor het sociaal – cultureel werk in al zijn vormen en voor alle bevolkingsgroepen;
     -           het bestendig trefpunt te zijn van de verschillende uitingen en vormen van het cultureel werk in zijn meest ruime betekenis;
     -           het sociaal – cultureel werk in al zijn vormen te bevorderen en de aanpassing aan de veranderende behoeften te verzekeren;
     -           de ontmoeting van en samenwerking tussen alle bevolkingsgroepen van het betrokken gebied te bevorderen.

2.  Het initiatief moet uitgaan van een overheid, die ook eigenaar is van de gebouwen van het cultureel centrum (artikel 4).

3.  De beheersorganen (artikel 4) moeten samengesteld zijn voor de ene helft uit vertegenwoordigers van de politieke partijen, zoals ze aanwezig zijn in de Gemeenteraad en voor de andere helft uit vertegenwoordigers van het particuliere sociaal-cultureel werk, verdeeld volgens de sterkte van de verschillende strekkingen in de Culturele Raad (officieel adviesorgaan voor cultuur in elke gemeente).
Wat de juridische vorm betreft, zijn er twee formules mogelijk :

  • het gemeentelijk beheer, waarbij het beheerorgaan enkel een eigen beslissingsbevoegdheid heeft over de programmering van het cultureel centrum en op andere terreinen enkel adviesbevoegdheid heeft. Het personeel is in dienst van de  gemeente als ambtenaar.
  • het vzw – beheer waarbij het cultureel centrum beheerd wordt in het kader van een      autonoom juridisch orgaan, met alle beslissingsbevoegdheid en als werkgever van het eigen personeel.

Het decreet houdende de rijkssubsidieregeling voor de pedagogisch – didactische uitrusting van erkende culturele centra van 28 januari 1981

Aansluitend bij het decreet van 16 juli 1973 stelt de Vlaamse Gemeenschap via dit decreet uitrustingstoelagen ter beschikking van de erkende culturele centra voor het aanschaffen van pedagogisch – didactisch materiaal.

Het decreet van 24 juli 1991

Dit decreet beperkt de toelagen niet meer tot weddentoelagen maar heeft het over ‘subsidies voor de werking’.
Belangrijk in dit decreet is ook het feit dat er per gemeente slechts één cultureel centrum wordt erkend. Dit was nodig omdat er na de fusies van de gemeenten in sommige gemeenten meerdere culturele centra erkend waren. De gemeente kan dan één van deze culturele centra als hoofdcentrum laten erkennen, de andere als wijkcentrum.
Nieuw is ook de erkenning van twee provinciale culturele centra per provincie.

1. Het cultureel centrum moet beantwoorden aan de doelstellingen die in het decreet worden omschreven. 

Onder cultureel centrum wordt verstaan een pluralistische instelling, werkzaam in één openbaar gebouw of in een als één geleid en samen geordend geheel van functionele openbare gebouwen, en die de volgende doelstellingen tegelijkertijd nastreeft:

-      het ter beschikking stellen van ruimten voor activiteiten van de verschillende culturele werksoorten, organisaties, bevolkingsgroepen, ideologische en        filosofische strekkingen;

-      het op eigen initiatief organiseren van culturele activiteiten waarin het             kunstgebeuren een prioritaire rol vervult;

-      het bieden van ruimte voor informele ontmoeting en contact ;

-      het begeleiden, het ondersteunen en het verlenen van diensten aan de            organisatoren van activiteiten in het cultureel centrum en zonodig het leveren van een bijdrage tot ondersteuning en coördinatie in de culturele sector en tot           ruimere samenwerkingsverbanden.

2. De inrichtende overheid dient één of meer gemeenten, een provincie of de Vlaamse Gemeenschapscommissie te zijn. Deze inrichtende overheid moet gedurende tenminste 27 jaar het eigendomsrecht of het genotrecht bezitten van de gebouwen waarin het cultureel centrum is gevestigd.

3.De beheerorganen moeten samengesteld zijn voor de ene helft uit vertegenwoordigers van de politieke partijen, zoals ze aanwezig zijn in de Gemeenteraad en voor de andere helft uit vertegenwoordigers van het particuliere sociaal-cultureel werk, verdeeld volgens de sterkte van de verschillende strekkingen in de Culturele Raad (officieel adviesorgaan voor cultuur in elke gemeente).

In dit decreet wordt de beslissing in verband met de juridische vorm overgelaten aan het lokaal bestuur. Dat deze juridische vorm niet meer opgelegd wordt via het decreet is een bewuste keuze. Dit laat immers toe meerdere juridische vormen te gebruiken, eventueel zelfs vormen die vandaag nog niet bestaan.

In de actuele praktijk betekent het echter dat de tot dan toe erkende culturele centra opteren voor de twee beheersvormen die in het vroegere decreet waren voorzien, zij het met meerdere varianten. Per 1 januari 1998 waren er 66 culturele centra in gemeentelijk beheer en 37 culturele centra in vzw - beheer en twee culturele centra met een provinciaal beheer.
Volledigheidshalve willen wij ook nog vermelden dat er meer en meer gemeentelijk beheerde culturele centra werken met een programmering – vzw (een variant). Dit is geen erkenningvoorwaarde maar een juridische toevoeging die het beheren van het cultureel centrum soepeler laat verlopen.

Bijzondere criteria voor de indeling in categorieën

In dit decreet zijn er twee criteria voor de indeling in categorieën

  • de infrastructuur : hoe groter de infrastructuur, hoe hoger de categorie, tenminste als er voldoende inwoners zijn.
  • het inwonersaantal van de gemeente: minder dan 15.000, tussen de 15.000 en de         35.000 en meer dan 35.000 inwoners.
    Dit criterium geldt niet voor de culturele centra die reeds erkend waren door het vorige decreet.
  • Er kunnen ook wijkhuizen erkend worden, verbonden aan een erkend cultureel           centrum. Ook hier weer zijn het inwonersaantal van de betrokken gemeente en de        infrastructuur van het wijkhuis bepalend voor de erkenning.

Er zijn dus 4 categorieën

  • plus – categorie II : > 35.000
  • plus – categorie I : tussen 15.000 en 35.000
  • basiscategorie : < 15.000
  • wijkhuis : vanaf 12.500 bijkomend

Betoelaging

 -    weddentoelagen : de weddentoelagen verlopen volgens een enveloppensysteem en bedragen 1,4 miljoen BEF per voltijds gesubsidieerd cultuurfunctionaris. Indien er minder uitbetaald wordt, wordt er minder gesubsidieerd. Indien er meer uitbetaald wordt, is de meerkost voor het lokaal bestuur. Er worden minimale barema’s bepaald afhankelijk van de functie en van het hoogst behaalde diploma. De oorspronkelijke barema’s worden gewijzigd bij programmadecreet 18 december 1992. Deze wijziging heeft vooral betrekking op het barema van de directeur. In de oorspronkelijke tekst was één barema voorzien voor alle directies. In de wijziging van 1992 wordt er een onderscheid gemaakt volgens de grootte van de gemeente en volgens de inschaling per categorie.

     Een volgende stap is het volledig schrappen van elke verwijzing naar een barema in het decreet zelf via het programmadecreet van 8 juni 1996. De gemeentelijk beheerde centra zijn hierdoor aangewezen op de barema’s van het gemeentepersoneel. Voor de culturele centra met een vzw – beheer wordt verwezen naar het bevoegde paritair comité.
In de plus – categorie II worden 5 cultuurfunctionarissen betoelaagd, in de plus – categorie I worden er 3 betoelaagd, in de basiscategorie één, in een wijkhuis een ½. Ook in dit decreet worden enkel educatieve functies betoelaagd.
En tot slot werden er via een decreetwijziging van 22 december 2000 nog een belangrijke veranderingen aangebracht. Het aantal gesubsidieerde cultuurfunctionarissen die een verplicht in dienst moeten zijn werd teruggebracht tot één. Dit had uiteraard alles te maken met de stop op de personeelsuitbreiding.

-    Werkingstoelagen : voor het eerst voorziet de Vlaamse Overheid ook in een beperkte tussenkomst voor de werking van de culturele centra.
Er is een basistoelage voor elk cultureel centrum van 200.000 BEF, aangevuld met een werkingstoelage per categorie : plus – categorie II / 500.000 BEF, plus – categorie I / 300.000 BEF, basiscategorie 100.000 BEF en 50.000 BEF voor een wijkhuis.

     Deze werkingssubsidies moeten voor een derde worden aangewend voor pedagogisch – didactische uitrusting en voor twee derden voor de kosten voor projecten inzake minder verspreide en minder gekende disciplines en initiatie in het kunstgebeuren. Door deze bepaling werd het decreet van 28 januari 1981 op de pedagogisch – didactische uitrusting opgeheven.
Deze verdeling en de verplichte aanwending werden bovendien geschrapt in de decreetwijziging van 22 december 2002.

Een erkenningenstop

Via het programmadecreet van 20 december 1996 werd een volledige erkenningenstop ingevoerd vanaf 1 januari 1998, zowel voor nieuwe culturele centra als voor personeelsuitbreiding in de tot dan erkende culturele centra. Dit gebeurde met de formele belofte dat er tegen 1 januari 1998 een nieuw decreet zou zijn. Dit nieuwe decreet kwam er … vanaf 1 januari 2002.

Het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid

In de loop van de jaren ’90 is de sector culturele centra enorm gegroeid, zowel kwantitatief (van 60 naar 100 culturele centra), als kwalitatief door de toename van het aantal professionele krachten. Nochtans kwam er langzaam ook meer en meer kritiek op het decreet van 1991, vooral op de zuiver kwantitatieve benadering. Dit decreet beoordeelt alles via aantal zitplaatsen, aantal vierkante meter, aantal vergaderlokalen,… Bovendien was de indeling in 3 categorieën te beperkt om de grote diversiteit in de werking van de culturele centra te honoreren. Er startte dus een nieuwe onderhandelingsronde in functie van een nieuw decreet. Maar omdat op dat moment de financiële middelen ontbraken, sprongen de gesprekken tussen de overheid en de sector snel af. De toenmalige minister koos dan maar voor een afkoelingsperiode. Zoals in het vorige punt reeds aangehaald werd er vanaf 1 januari 1998 een erkenningenstop ingevoerd in afwachting van een nieuwe wettelijke regeling. De verkiezingen van 1999 leverden een nieuwe meerderheid en dus een volledige nieuwe regering op.

De nieuwe uitgangspunten

-   Een integraal cultuurbeleid op gemeentelijk vlak stimuleren

In de loop van de afgelopen jaren heeft men op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap zeer veel wetgevende initiatieven genomen met betrekking tot gemeentelijke initiatieven. Zo waren er de verschillende decreten voor de culturele centra, voor de bibliotheken, voor de musea, voor de inspraak – en adviesorganen (culturele raden), … Al deze decreten echter stonden naast mekaar. En alhoewel ze zeer stimulerend zijn geweest voor de ontwikkeling van de respectieve werksoorten (elke gemeente in Vlaanderen heeft zijn openbare bibliotheek, één derde van de gemeenten heeft een erkend en gesubsidieerd cultureel centrum, …), hebben ze nooit bijgedragen tot een geïntegreerd lokaal cultuurbeleid. Het lokaal cultuurbeleid is bovendien tot nu toe geen voorwerp geweest van enige decretale ondersteuning.
Met het nieuwe decreet wil de Vlaamse Overheid het lokale cultuurbeleid ondersteunen als geheel en een aantal bestaande regelgevingen aanpassen en integreren in een globaal decreet (culturele centra, bibliotheken, inspraakorganen) zodat ook de werking van deze instellingen op mekaar en op het globale lokale cultuurbeleid wordt afgestemd.

- De aandacht voor cultuurbeleid vergroten

Via het gemeentelijk cultuurbeleidsplan worden alle gemeentelijke culturele actoren betrokken bij het gemeentelijk cultuurbeleid. Dit plan moet een overzicht geven van de intenties van het gemeentebestuur op alle voor de gemeente belangrijke culturele materies. Om dit plan op te stellen moet de gemeente de actoren betrekken bij de voorbereiding en bij de uitvoering van het plan. Op die manier wil de Vlaamse overheid de aandacht voor het lokale cultuurbeleid vergroten en boven op de politieke agenda plaatsen.

- Dynamiek en vernieuwing losmaken

Daarnaast wil het nieuwe decreet nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken, ontwikkelingen die nu al te vaak in de kou blijven staan omdat ze niet onmiddellijk passen binnen het ‘traditionele’ beleid. Het cultuurbeleid vertrekt immers al te vaak vanuit tradities, vanuit vanzelfsprekendheden die niet in vraag worden gesteld. Het proces van cultuurbeleidplanning  vertrekt vanuit een communicatieve planning met de betrokkenen en met grote groepen uit de bevolking en zal onvermijdelijk de vanzelfsprekendheden in vraag stellen.

-  Een aanzet geven tot intergemeentelijke samenwerking

Om de afstemming van voorzieningen en functies te verbeteren, stimuleert de nieuwe regelgeving ook de culturele samenwerking in streekverband. Netwerken van gemeenten en steden kunnen in elke streek tot een goede taakverdeling – afbakening komen, zodat onnodig en dubbel werk wordt voorkomen.

Vanaf  de inwerkingtreding van het nieuwe decreet spreekt men van ‘cultuurcentra’ en niet langer van ‘culturele centra’.
Het nieuwe decreet maakt ook een onderscheid tussen een ‘cultuurcentrum’ en een ‘gemeenschapscentrum’.
Onder ‘gemeenschapscentrum’ verstaat men die culturele infrastructuur die door de gemeente beheerd wordt met het oog op cultuurparticipatie, gemeenschapsvorming en cultuurspreiding ten behoeve van de lokale bevolking en met bijzondere aandacht voor de culturele diversiteit.
Een ‘cultuurcentrum’ is een gemeenschapscentrum met daarnaast een breed en eigen cultuurspreidingaanbod, gericht op de bevolking van een streekgericht werkingsgebied.
De nieuwe regelgeving voorziet nog wel aparte criteria en een eigen subsidiëring voor de cultuurcentra, maar niet meer voor de gemeenschapscentra.


Subsidiëringvoorwaarden voor de cultuurcentra

In tegenstelling tot de vorige decreten worden de cultuurcentra niet meer erkend, alleen nog gesubsidieerd. Deze subsidiëring houdt een impliciete erkenning in.
Slechts een beperkt aantal gemeenten kan een aanvraag indienen voor de subsidiëring van een cultuurcentrum. In grote lijnen gaat het om die steden en gemeenten die zijn opgenomen in de hiërarchische lijst van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, om die steden en gemeenten wiens cultureel centrum werd erkend in het decreet van 1991 als een centrum van de plus – categorie I en II en om de gemeenten met meer dan 30.000 inwoners, die niet voorkomen in de bovenvernoemde lijst.
Aangezien het cultuurcentrum tot de niet – verplichte onderdelen van het decreet behoort, kan de gemeente de aanvraag tot subsidiëring op twee manieren indienen : ofwel binnen de globale aanvraag tot subsidiëring van het lokale cultuurbeleid met een specifiek onderdeel ‘cultuurcentrum’ waarvan de doelstellingen aansluiten bij de doelstellingen van het gemeentelijk cultuurbeleidplan, ofwel via een specifiek beleidsplan voor het cultuurcentrum. Dit laatste kan zich voordoen wanneer de gemeente niet wenst in te stappen in de regelgeving met betrekking tot het lokale cultuurbeleid maar wel een cultuurcentrum heeft dat aan de voorwaarden tot subsidiëring als cultuurcentrum voldoet.

 

De cultuurcentra worden ingedeeld in drie categorieën :
-   Categorie A voor de centrumgemeenten in de regionaalstedelijke gebieden;
-   Categorie B voor de centrumgemeenten in de structuurondersteunende           kleinstedelijke gebieden;
-   Categorie C voor de centrumgemeenten in de kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau.

Voor de cultuurcentra van de gemeenten die niet op de lijst van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen voorkomen, zijn er specifieke criteria voor opname in een bepaalde categorie. Deze criteria houden rekening met de historiciteit van het cultureel centrum, met de grootte van de gemeente, met de ligging van de gemeente (grenzend aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest),…

Voor de cultuurcentra uit de grootstedelijke gebieden sluit de Vlaamse Regering aparte convenants met de gemeentebesturen van Antwerpen en Gent en met de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Voor de huidige stand van zaken omtrent de specifieke subsidiëring en voorwaarden van het decreet lokaal cultuurbeleid, kijk bij Regelgeving en beleid > decreet lokaal cultuurbeleid.