Regelgeving en beleid

Lokaal Cultuurbeleid

REGEERAKKOORD 2014-2019

Vanaf 2016

Een uitgehold decreet lokaal cultuurbeleid. Het decreet bevat geen taakomschrijvingen meer voor de cultuurcentra.

Het decreet Lokaal Cultuurbeleid dat inging op 1 januari 2014 is nog geen jaar oud en zal alweer worden gewijzigd, grotendeels uitgehold worden. Het nieuwe Vlaams Regeerakkoord bepaalt immers heel duidelijk dat de middelen van het lokaal cultuurbeleid (maar ook nog van veel andere beleidsvelden) geïntegreerd worden in het ‘gemeentefonds’. Zonder oormerking is er geen enkele garantie dat deze middelen nog zullen besteed worden aan het lokaal cultuurbeleid, noch aan de cultuurcentra. 

Er zijn dan geen prioriteiten meer, geen criteria meer, dus ook geen Vlaams cultuurbeleid meer. De Vlaamse overheid laat de cultuurcentra volledig los en vertrouwt deze sector volledig toe aan de wijsheid van de lokale besturen. En dat baart zorgen. Het voorbeeld van Nederland is zeer duidelijk. Nadat decentralisatie in Nederland is doorgevoerd, zijn er nog vooral puur commerciële ‘cultuurhuizen’… is dit de richting die wij willen uitgaan?

De VVC pleit voor maatregelen die rekening houden met de eigenheid van de werkvorm waarvan het samenspel lokaal, regionaal en Vlaams de sterkste troef is. Cultuurcentra zijn het belangrijkste onderdeel van het Vlaams cultuurspreidingsbeleid dat ruimer kijkt dan de eigen gemeentegrenzen. Ze hebben een regionale functie, ook op het vlak van cultuurparticipatie. 

Vanaf 2014

 Per 1 januari 2014 treedt het gewijzigde decreet en besluit op het Lokaal Cultuurbeleid in werking.

Gecoördineerd decreet Lokaal Cultuurbeleid - versie december 2013 (PDF)
Gecoördineerd uitvoeringsbesluit Lokaal Cultuurbeleid - versie juli 2014 (PDF) 

De grote lijnen voor de cultuurcentra - De Vlaamse beleidsprioriteiten

Het hebben van een cultuurcentrum op zich is een Vlaamse beleidsprioriteit. Het decreet concretiseert nog drie voorwaarden voor deze cultuurcentra. Deze voorwaarden worden nog verder geconcretiseerd in het Besluit van de Vlaamse regering.

1. Enerzijds een eigen aanbod realiseren waarbij een regionaal relevante staalkaart van allerlei cultuuruitingen, complementair aan de lokale en regionale behoeften, wordt aangeboden, en anderzijds de receptieve werking ondersteunen.

Dit onderdeel over de werking wordt verder geconcretiseerd in het Besluit als volgt:
- Een eigen cultuuraanbod realiseren met een lokale en regionale uitstraling dat inspeelt op de vragen en behoeften van diverse bevolkingsgroepen en aandacht heeft voor een spreiding van en wisselwerking met door de Vlaamse overheid gesubsidieerde en ondersteunde gezelschappen (link met het Kunstendecreet);
- actief ondersteuning bieden aan amateurkunsten en (sociaal-) culturele verenigingen;
- inzetten op een aangepast aanbod van kunst- en cultuureducatie in samenwerking met relevante actoren.

2. Beschikken over een cultuurcentrum waarvan de Vlaamse Regering de infrastructuurvoorwaarden specificeert naargelang de indeling in een categorie.

Deze infrastructuurvoorwaarden staan opgesomd in het Besluit en vormen - samen, met de vaste lijst van steden en gemeenten - de criteria om de cultuurcentra in drie categorieën in te delen, A, B en C. Deze categorieën zijn dan op hun beurt bepalend voor de hoogte van de jaarlijkse enveloppensubsidie:
- Categorie A: € 400.000
- Categorie B: € 210.000
- Categorie C: € 130.000

3. Met het oog op monitoring één keer per jaar algemene beleidsrelevante gegevens ter beschikking stellen over het cultuurcentrum in de vorm van en volgens de procedure die de Vlaamse regering bepaalt. Op basis hiervan beschikt onze Administratie reeds over heel wat correcte en relevante cijfergegevens van de laatste 10 jaar. Dit kan dus verder gezet worden.Hierbij kan ook nog vermeld worden dat de inhoudelijke en de financiële planning in de Vlaamse lokale besturen sinds dit jaar geregeld is via de BBC, de beheers- en beleidscyclus. 

Een kritische blik

Dit nieuw decreet is duidelijk geen verbetering. Deze wijzigingen vanaf 2014 worden gedicteerd door een andere regelgeving (Planlastendecreet) en hebben dus ook deze logica. Dit zal nefaste gevolgen hebben voor onze werksoort. Er zijn drie problemen, drie negatieve evoluties.

1. Afbouw van kwalitatief personeel?

Sinds het eerste decreet van 16 juli 1973 zijn de subsidies voor de culturele centra/cultuur- en gemeenschapscentra gebaseerd op de verplichting voor de lokale besturen om deze middelen integraal te besteden aan de loonkosten voor het ‘stafpersoneel’. Deze ‘personeelstoelagen’ hebben de succesvolle ontwikkeling van de werksoort mogelijk gemaakt. Dit principe moet nu los gelaten worden omwille van de directieven van het Planlastdecreet dat op geen enkele wijze rekening houdt met de eigenheden van een sector en met de inspanningen die reeds zijn gebeurd om de planlast van het decreet lokaal cultuurbeleid te minimaliseren. De minister van Cultuur en de Vlaamse Regering konden dus niets anders dan deze verplichting schrappen. Wel wordt in Artikel 5 van het Ontwerp de aandacht gevestigd op de aanwezigheid van de nodige deskundigheid bij de respectieve instellingen.
We stellen vast dat bepaalde gemeentebesturen (bij wijze van voorafname) reeds in 2013 staffuncties geschrapt hebben. Omwille van de besparingen op lokaal en Vlaams niveau beslisten vele lokale besturen principieel niet te vervangen bij het uit dienst treden van directies of stafleden.  In de komende jaren gaan heel wat gesubsidieerde stafleden met pensioen. Ook deze sector ontkomt niet aan de vergrijzing. Zullen deze stafleden vervangen worden en zo ja, zal dit op hetzelfde niveau gebeuren? We denken, we vrezen van niet. Dat dit negatieve gevolgen zal hebben op de kwaliteit van de werking is overduidelijk. 

2. Afbouw van de inhoudelijke autonomie?

De bevoegdheden van het bestuursorgaan van cultuur- en gemeenschapscentra voor de eigen programmering op voordracht van de leidende cultuurfunctionaris is een noodzakelijke garantie voor een kwalitatieve werking. Het vermijdt ook dat men vervalt in een zuivere politieke besluitvorming.  Deze bevoegdheden, uitgeoefend door een paritair samengesteld bestuursorgaan (vertegenwoordigers vanuit de politiek en vanuit het middenveld) zijn een verworvenheid vanaf het eerste decreet van 1973. Ze staan nu heel duidelijk op de helling om twee redenen:

- Het huidige decreet verwijst wel naar de toegelaten bestuursvormen maar kan, omwille alweer van het planlastdecreet, geen bevoegdheden meer omschrijven voor deze besturen. Vlaanderen mag zich niet meer moeien met de interne organisatie van het lokaal bestuur.
- En daarnaast is er het gemeentedecreet dat bepaalt dat de politici de meerderheid moeten hebben in besturen van instellingen die vooral op gemeentelijke middelen beroep doen.

Nu reeds stellen we vast dat de vroegere bestuursorganen nog enkel een adviserende bevoegdheid krijgen en dat in de reële bestuursorganen de politici alle mandaten bezetten waardoor het principe van medebeheer vanuit het middenveld definitief wordt begraven.

3. Verlies van de gemeenschapscentra?

In het decreet Lokaal cultuurbeleid van 24 juli 2001 maakte de toenmalige minister van Cultuur, Bert Anciaux, zijn Ei van Columbus bekend. De culturele centra werden opgesplitst in twee groepen: cultuurcentra (met daarbinnen drie categorieën) en gemeenschapscentra. Dit alles was gebaseerd op de indeling van Steden en Gemeenten uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, dat toen al achterhaald was en te weinig culturele parameters bevatte om een opdeling te maken tussen cultuur- en gemeenschapscentra. Culturele centra die gemeenschapscentra werden kregen geen eigen subsidiëring meer omdat ze enkel lokaal zijn. Dit beleid zet zich nu zeer duidelijk verder, waardoor de gemeenschapscentra definitief van de Vlaamse culturele kaart zijn verdwenen.

2008-2013

Een wijziging in het decreet zorgde voor een herschikking van de subsidiëring van de cultuurcentra.

Men spreekt nu van een ‘enveloppensubsidie’ en een aanvullende subsidie.

De niet-geïndexeerde bedragen van de jaarlijkse enveloppensubsidie bedroegen voor een CC uit:
- Categorie A: € 325.000
- Categorie B: € 190.000
- Categorie C: € 110.000

De aanvullende subsidiëring gebeurde als volgt:

• Categorie A

Voor CC’s uit de categorie A wordt jaarlijks een bedrag van minimaal € 700.000 verdeeld voor bijzondere projecten die de gewone werking van het CC overstijgen. Prioritair zijn projecten met het oog op het bereiken van een nieuwe publiek, het verruimen van het aanbod van door de Vlaamse overheid gesubsidieerde en ondersteunde gezelschappen en het ondersteunen en toegankelijk maken van het aanbod van lokale gezelschappen en verenigingen.

De gemeenten dienden een aanvraagdossier in en op basis van overleg met het kabinet werden de afspraken vastgelegd in een convenant. De subsidiebedragen werden uiteindelijk als volgt vastgesteld: gezien de kwaliteit van alle aanvraagdossiers, achtte men het onmogelijk om aan alle dossiers het gevraagde bedrag toe te kennen. Vandaar gebeurde de verdeling als volgt: elk cultuurcentrum ontving € 40.000 en kreeg daarboven op een bedrag in verhouding met het inwonersaantal. 
Deze bedragen worden jaarlijks uitbetaald en liggen vast tot 2013.

• Categorie B en C

Jaarlijks wordt een bedrag van minimaal € 700.000 verdeeld onder de cultuurcentra uit de categorie B en C. Hiervoor moesten de gemeenten een inspanningsverbintenis indienen waarin men verklaart te zullen werken aan de vooropgestelde prioriteiten: bijzondere aandacht voor bereiken van een nieuwe publiek, het verruimen van het aanbod van door de Vlaamse overheid gesubsidieerde en ondersteunde gezelschappen en het ondersteunen en toegankelijk maken van het aanbod van lokale gezelschappen en verenigingen.

De verdeling gebeurde eenvoudig in gelijke delen onder de 51 cultuurcentra. Elk cultuurcentrum uit zowel B als C categorie ontvangt bijgevolg jaarlijks € 13.725.

Deze bedragen worden jaarlijks uitbetaald en liggen vast tot 2013.

2002-2007

De cultuurcentra genoten van een basissubsidie en konden een dossier indienen voor een variabele subsidie.

De niet-geïndexeerde bedragen van de jaarlijkse basissubsidie bedroegen voor een CC uit 
- Categorie A: € 280.000
- Categorie B: € 135.000
- Categorie C: € 60.000

Het totale bedrag voor de variabele subsidiëring bedroeg € 3.517.000 per jaar. De verdeling van de variabele subsidies gebeurde op basis van de ingediende aanvraagdossiers en de beoordeling van een aantal parameters door een commissie. Hierbij ontvingen een aantal cultuurcentra een variabele subsidie, andere ontvingen niets. Dit veroorzaakte enkele klachten bij de Raad van State met als gevolg het vernietigen van het Besluit van de Vlaamse regering. Enkele centra werden volledig in het gelijk gesteld en hebben een financiële compensatie gekregen. Voor de meeste echter heeft de Vlaamse regering een nieuw besluit genomen waarbij de vroegere beslissingen inhoudelijk werden gemotiveerd. Tot op heden (2014) lopen hier rond nog rechtszaken.

Subsidies Gemeenschapscentra

Vanaf 2015

Het gewijzigde participatiedecreet is op 1 juli 2014 in werking getreden. Het budget wordt - omwille van de besparingen - gehalveerd tot € 250.000. De dossiers moeten nu tweejaarlijks in plaats van jaarlijks ingediend worden.

2008-2014

Bij de wijziging van het decreet werden de projectsubsidies van de gemeenschapscentra geschrapt. Het budget van 500.00 euro werd overgeheveld naar het participatiedecreet. Lees meer hierover bij ‘Participatiedecreet’.

2004-2007

De gemeenschapscentra die vóór het decreet van 2001 cultureel centrum waren, konden beroep doen op een jaarlijkse projectsubsidie voor het gemeenschapscentrum, berekend op basis van een forfaitair bedrag per inwoner door de minister bepaald afhankelijk van het aantal goedgekeurde aanvragen.

Het aanvraagdossier moest volgende elementen bevatten: 

- overzicht van de eigen programmering van het gemeenschapscentrum
- financiële afrekening waaruit blijkt dat de gemeente ten minste 1 euro per inwoner aan de eigen programmering heeft uitgegeven.
- verklaring dat de subsidie jaarlijks wordt besteed voor eigen programmering en projectwerking naar scholen, jongeren, kinderen of senioren
- verklaring dat de initiatieven opgenomen worden in het beleidsplan en actieplan
- verklaring van de gemeente dat ze jaarlijks ten minste hetzelfde bedrag zal uitgeven aan de eigen programmering van het gemeenschapscentrum als dat wat ze ontvangt voor de projectsubsidie.

Hier vind je alle info over diverse wetgeving en beleid, met extra duiding.
Zoek via het alfabetisch register of gebruik de zoekfunctie.