Regelgeving en beleid

Ondernemingsrecht

Hervorming ondernemingsrecht: vereenvoudiging en afslanking van vennootschaps- en verenigingsvormen

De impact van de hervorming op verenigingen, vzw’s

18 maart 2015

Minister van Justitie, Koen Geens, wil justitie hervormen met een ‘hinkstapsprong.’ De eerste fase, de hink, kwam er vorige legislatuur door de hertekening van het gerechtelijk landschap. De tweede fase, de stap, is het Justitieplan, dat gaat voor een efficiëntere en daardoor rechtvaardigere justitie. De derde fase is de sprong zelf, dit zijn de fundamentele hervormingen van onze basiswetgeving: nieuwe wetboeken van strafrecht en strafvordering en ingrijpende hervormingen van het burgerlijk en het ondernemingsrecht. Met ‘De sprong naar het recht van morgen’ wilt de Minister beginnen aan de laatste fase. Men hoopt hiermee nog te landen voor de zomervakantie 2018.

Meer eenvoudig, coherent en transparant ondernemingsrecht

Vanuit de ambitie om de basiswetgeving te vereenvoudigen, meer te laten aansluiten bij de realiteit en Europese regelgeving, en dus ook transparanter en aantrekkelijker te maken startte minister Geens met zijn ‘Hercodificatie van de basiswetgeving’. De globale hervorming van het ondernemingsrecht omvat 4 luiken:

1. Nieuw ondernemersbegrip

1.1. Vereniging zonder winst'uitkering'

Met de hervorming van het verenigingsrecht wil de minister komaf maken met de oorspronkelijke vzw-wetgeving van 1921*. Zo stelt artikel 1 van die wet dat verenigingen enkel burgerlijke daden en géén handelsdaden mogen stellen. In de praktijk mogen verenigingen volgens de rechtsleer en rechtspraak echter wél handelsdaden stellen, voor zover deze economische activiteiten “van bijkomstige aard zijn”. De winst van deze activiteiten wordt ook niet verdeeld, maar geïnvesteerd ten voordele van de niet-economische activiteiten van de vereniging. Maar waar de grens ligt (van “bijkomstige economische activiteit) is troebel en vatbaar voor interpretatie in de rechtbank.

De minister wil dan ook af van dit problematische begrip. In zijn hervorming verdwijnt daarom het arbitraire onderscheid tussen burgerlijke en handelsdaden. Het wegvallen van dit onderscheid houdt immers in dat een vereniging onbeperkt economische activiteiten zal mogen uitoefenen en daar winst op mag maken. Het verbod op winstuitkering blijft. De winst moet met andere woorden binnen de organisatie blijven en mag niet gebruikt worden om oprichters, bestuurders, aandeelhouders of leden te verrijken.

De vzw/vereniging zoals u en ik hem vandaag de dag kennen, zal niet langer als vereniging zonder winstoogmerk door het leven gaan, maar als een vereniging zonder winstuitkering. De afkorting “vzw” zal kunnen blijven bestaan.

Door de hervorming van het ondernemingsrecht vallen vzw’s ook onder het begrip ‘onderneming’.

*Het fiscaal recht is ontstaan na de vzw wetgeving in 1921 en is hierop afgestemd. Nu de vzw-wetgeving wordt aangepast, is dit jammer genoeg niet langer in lijn met de fiscale wetgeving.

1.2. De rechtbank

Waar verenigingen en vennootschappen vandaag nog voor aparte rechtbanken moeten verschijnen (respectievelijk de burgerlijke rechtbank en de rechtbank van koophandel), zal dat in de toekomst dan ook voor dezelfde rechtbank zijn: de ondernemingsrechtbank. In eenzelfde beweging zullen ook het voor ondernemingen geldende faillissementsrecht, bewijsrecht en publiciteitsrecht van toepassing worden op verenigingen.

1.3. De vzw krijgt een nieuwe definitie

“Een vereniging wordt opgericht bij een overeenkomst tussen twee of meer personen, leden genaamd. Zij streeft een belangeloos doel na in het kader van één of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft. Zij mag, op straffe van nietigheid, rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen aan de oprichters, de leden, de bestuurders of enig andere persoon, behalve voor het in de statuten bepaald belangeloos doel.”

2. Hervorming van het insolventierecht

Deze bevat een preventief en een curatief luik. Enerzijds de sanering van ondernemingen in moeilijkheden (continuïteit van ondernemingen) en anderzijds de vereffening van ondernemingen die niet langer gezond en levensvatbaar zijn (faillissement).

3. Integratie van het vennootschaps- en verenigingsrecht in één wetboek

Het wetboek voor vennootschappen en verenigingen wordt een lijvig werkstuk, bestaande uit 14 boeken. In boek 1 en 2 vinden we respectievelijk inleidende bepalingen en gemeenschappelijke bepalingen voor alle rechtsvormen (dus ook voor vzw’s). Boek 9 gaat volledig over de vzw.

4. Vereenvoudiging en afslanking van vennootschaps- en verenigingsvormen

Minister Geens wil van een veelheid (12) van vennootschapsvormen af, voor eenvoud zorgen.

Inwerktreding

Het nieuwe wetboek zal in werking treden één jaar na publicatie in het staatsblad.

Voor bestaande vzw's is er een overgangsperiode van 5 jaar voorzien. Vzw’s die hun statuten niet aanpassen, zullen voor alles behalve deze dwingende regels nog moeten terugvallen op de vzw wetgeving van 1921. Let op, bij vernieuwing van je statuten gaan de nieuwe regels onmiddellijk in!

Nieuw op te richten vzw’s (na de publicatie van de wet) hebben géén overgangsperiode, die zijn onmiddellijk onderhevig aan de wet.

Zelf als je geen statutenwijziging doet zal je als vzw toch al de dwingende bepalingen uit de nieuwe wet moeten naleven (en zijn dus wél onmiddelijk van toepassing eens de wet is goedgekeurd en gepubliceerd) zoals regelgeving rond belangenconfliten voor bestuurders, aansprakelijkheid van bestuurders (zie verder), verruiming begrip dagelijks bestuur (zie verder) en de regels omtrent vereffening.

Bestuurdersaansprakelijkheid

De toepassing van het faillissementsrecht belooft een ingrijpende verandering, die vooral op het niveau van de bestuurdersaansprakelijkheid zwaar zou wegen voor (kleinere) verenigingen. Oprichters en bestuurders van ondernemingen zijn tijdens de eerste drie jaar na oprichting immers normaal gezien onbeperkt aansprakelijk.

De minister kwam de bezorgdheden van het verenigingsleven over deze potentiële onbeperkte aansprakelijkheid tegemoet met drie regels: (1) afwezigheid van oprichtersaansprakelijkheid voor vzw’s; (2) geen bestuurdersaansprakelijkheid voor problemen met inbrengen tijdens het bestaan van de vzw; en (3) de nieuwe bepaling dat bestuurders van verenigingen bij een faillissement onder ruime kwantitatieve omzetdrempels zullen kunnen genieten van een beperkte aansprakelijkheid in geval van gemaakte fouten.

Wat met subsidies, fiscaliteit, vrijwilligers en andere rechtsdomeinen?

Het fiscaal recht, de vrijwilligerswetgeving en andere rechtsdomeinen zullen nog steeds in hun huidige vorm van toepassing zullen blijven en hun eigen logica zullen blijven volgen.

Het fiscaal recht werkt bijvoorbeeld voor de toepassing van de rechtspersonen- en vennootschapsbelasting nog steeds met haar criterium van de bijkomstigheid van de economische activiteiten in de organisatie, en dit zal dus ook zo blijven. Overschrijd je de grens van bijkomstigheid, dan zal je vennootschapsbelasting moeten betalen. Lang niet elke vereniging zal baat hebben bij het vallen onder vennootschapsbelasting en het bijkomende gevolg niet te kunnen werken met het fiscaal gunstige statuut voor vrijwilligers…

In het licht van de Europese staatssteunregels: in Europa kan een organisatie die subsidies krijgt én economische activiteiten organiseert, aangeklaagd worden voor verboden staatssteun. Ook verenigingen zijn onder bepaalde omstandigheden vatbaar voor dit soort klachten (vb. wanneer ze niet onder de bestaande uitzonderingsregimes vallen).

De mogelijke impact van de hervorming op het krijgen van subsidies voor verenigingen blijft voorlopig onduidelijk. Wat wel al duidelijk is, is dat er een goede afstemming nodig zal zijn tussen de gehanteerde criteria voor verenigingen in de subsidiewetten en -decreten van de verschillende beleidsniveaus.

Anno mei '18: een paar Vlaamse departementen denken een oplossing te hebben gevonden voor het mogelijke probleem waarbij ze subsidies zouden geven aan verenigingen die volop economisch actief zijn: ze hebben hiervoor een extra criterium toegevoegd aan het subsidiedecreet, nl. het “niet-commercieel karakter” van de organisatie. Wat die term exact betekent, is niet uitgeklaard, maar het lijkt wel op de vroegere behandeling: economische activiteiten mag, maar je mag niet ‘commercieel’ zijn, niet winstgericht zijn.
Zolang het nog niet officieel zo is uitgeklaard, creëert dit criterium opnieuw onduidelijkheid. Bijvoorbeeld: wie bepaalt waar de grens ligt tussen commercieel en niet-commercieel?

Handig om weten

  • Een vzw oprichten kan met zijn tweetjes. Volgens de huidige wetgeving moet men nog met minstens drie zijn om een vzw op te richten. Deze voorwaarde vervalt in het nieuwe ontwerp zodat twee personen zal volstaan.
  • Algemene vergadering. In het voorontwerp moet de algemene vergadering niet langer uit meer leden bestaan dan de raad van bestuur. Beide kunnen dus evenveel leden hebben. Voor de uitnodiging van de algemene vergadering zal de oproepingstermijn verlengd worden van 8 naar 15 dagen.
  • De term ‘raad van bestuur’ wordt blijkbaar vervangen door het ‘bestuursorgaan’. Het ontwerp bevat ook de mogelijkheid dat bestuurders, andere bestuurders coöpteren, wanneer een mandaat komt open te staan voor het einde van dat mandaat. De eerstvolgende algemene vergadering zal dan deze vervanging moeten bevestigen. In de huidige wet wordt enkel een benoeming door de algemene vergadering toegelaten.
  • Nieuw is ook dat er voor het bestuursorgaan een schriftelijke besluitvorming wordt voorzien. Bij éénparigheid van stemmen zal er schriftelijk kunnen beslist worden en hoeven de bestuurders niet meer fysiek samen te komen.
  • Dagelijks bestuur krijgt een duidelijker opdracht. De opdracht van het dagelijks bestuur en haar relatie met het bestuursorgaan worden concreter omschreven in het voorontwerp.
  • Statutenwijziging wordt eenvoudiger. De aanwezigheid van 2/3e van de effectieve leden om een statutenwijziging door te voeren zal niet meer nodig zijn. De helft van de leden zal voldoende zijn. Dus een tweede algemene vergadering om alsnog de statuten te kunnen wijzigen zal minder nodig zijn.
  • In het voorontwerp is voorzien dat enkel nog bestuurders de vzw kunnen vertegenwoordigen naar derden. Dit betekent dat een medewerker dit niet zomaar meer zal kunnen. Het bestuursorgaan zal voor die medewerker een volmacht moeten opmaken waarin vermeld wordt welke bevoegdheden gedelegeerd worden.

Timing

Op 20 juli 2017 keurde de ministerraad op voorstel van minister van Justitie Koen Geens een voorontwerp van wet goed tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, en houdende diverse bepalingen. Nadien werd het ontwerp voor advies overgemaakt aan de Raad van State (die toch heel wat opmerkingen had). Er komt een 2de lezing in de ministerraad en daarna gaat het naar het parlement. Men hoopt nog te landen voor (of net na) de zomervakantie 2018. Met finale goedkeuring van de wet vóór 1 januari 2019.

Openstaande vragen

  • Wat met fiscale wetgeving?
  • Wat met fiscaal aftrekbare giften? Deze zijn niet te combineren met commerciële activiteiten.
  • Wat zijn de gevolgen voor het werken met vrijwilligers?
  • Wat met subsidies? Er zijn heel wat decreten op Vlaams niveau die een ‘niet-commerciële’ rechtsvorm als voorwaarde tot subsidiering stellen
  • Wat als subsidies (mee) gebruikt worden ter financiering van economische activiteiten?
  • Wat met besmettingsgevaar?
  • Hoe zal voldaan worden aan garanties dat subsidies enkel voor niet-economische activiteiten gebruikt wordt?
  • Welke boekhoudvereisten zijn hieraan gekoppeld? Subsidie criteria?
  • Wat met het risico voor oneigenlijk gebruik van de vzw/ schijn vzw’s?

 

Hier vind je alle info over diverse wetgeving en beleid, met extra duiding.
Zoek via het alfabetisch register of gebruik de zoekfunctie.